Het kwam niet vaak voor dat ze nog herkend werd.
Twintig jaren, een kleine neuscorrectie en een garderobe bijeengekocht op zakenreizen naar landen die niet langer ver en vreemd waren, hadden gemaakt dat ze in weinig meer leek op de twaalfjarige die tot die laatste dagen met haar ouders op de muren van alle scholen had geprijkt, alle drie jaren jonger dan ze destijds waren geweest.

 

Hij wendde zich tot het meisje. Ze had haar pistool laten zakken, maar leek de baan van de kogel nog te volgen met haar ogen, met de milde verbazing die hij herkende van andere nieuwelingen die ervaren hadden hoe gemakkelijk het was menselijk leven te vernietigen.

 

De moeder van Cookie Nin was een misdadigster. Cookie had het nooit geweten, tot ze het haar verteld hadden in het Instituut. Het weinige dat ze zich van haar moeder herinnerde,
en dat was door de jaren heen steeds minder geworden, was dat ze altijd met zijn tweeën geweest waren. Haar vader was onbekend en onbelangrijk. Misschien was hij gestorven, weggelopen of was hij er simpelweg nooit geweest. Zij en moeder en de stad, dat was de wereld. En groter was die niet.

 

Christian Duses eerste dag op de Isola-universiteit begon niet goed. Dat hij de tram gemist had, was zijn eigen schuld geweest, maar de rest was beschikt door een hogere macht.
Zijn zus Una had het op God gehouden, zijn beste vriend Chaim op satan.
Ze wisten alle drie dat het eigenlijk Roxane Tron was geweest.

 

Marina rende zo hard als ze maar kon rennen op haar feestschoenen, het enige paar met hoge hakken dat ze bezat. Het ging niet zo snel als ze wilde – zo snel als de wind – en links en rechts werd ze voorbijgelopen. Maar beter nog dan voor de chaos uit te rennen, was er middenin te zijn. Ze werd opzij geduwd en meegesleurd, omvergelopen en overeind getrokken. Christian was opeens naast haar en in plaats van haar tegen te houden, greep hij in volle vaart haar hand en sleurde haar mee, harder dan ze uit zichzelf zou kunnen lopen.

 

‘Wil je me nog steeds niet kussen?’

Als ze niet Roxane Tron geweest was, had hij dat de hele avond al gewild.
En nu kwam hij tot de ontdekking dat het hem niet meer kon schelen wie ze was.
Ze kunnen me hier ook wel opnemen, dacht hij terwijl hij op het donkere parkeerterrein voor het hospitaal zijn handen om haar gezicht legde, hier of in een gekkenhuis.
Maar later. Nadat hij haar gekust had.
Nu bestond er niets anders dan haar koude wangen, bedekt met een plakkerig laagje poedermake-up, haar gesloten ogen waarvan de wimpers trilden alsof ze sliep en droomde, haar oorbellen, waarvan er een achter zijn mouw bleef haken, haar jukbeenderen, haar kaak, haar slapen, haar open mond, haar tong, haar adem, de smaak van alcohol. Haar handen die warmte zochten onder zijn trui.
Ze leek fragiel. Iets wat je kon breken.
Kon iets wat je wilde beschermen ook gevaarlijk zijn?

 

Misschien was dat het wat hem dwarszat: op geen enkele foto was een spoor van schuld te ontdekken. Alle vroegere Roxanes, op de laatste na, leken tevreden met hun leven geweest

te zijn. Gelukkige tieners, zoals hij en zijn vrienden dat ook geweest waren.
Maar hij was niet opgegroeid in een krankzinnig land.
En zij was geboren in het hart van de waanzin.

 

‘Weet je wat we daar straks op het podium gaan doen, jouw kinderen?’ fluisterde hij. ‘We gaan al die jcc-schapen in de zaal vertellen: Hé, kijk naar ons! We staan in hier in opdracht van de Feeks, maar zien we er niet werelds uit? Is Chimeria niet cool? Luister: we spelen rock en we zingen over meiden en bijna over neuken, maar we spelen net zo goed het volkslied. Zing allemaal mee. Loop achter ons aan. Rattenvangers van Turris en omstreken! Loop achter ons aan! Drie keer om de berg heen en de grot binnen. Geeft niet dat de wanden kaal zijn; wij zingen er behang aan. Geeft niet dat de vloer koud is; wij zingen vloerbedekking. We zingen ’n koelkast, ’n bankstel, ’n plee als je schijten moet! O ja, en geloof ons graag. Doe even of jullie stokdove, stekeblinde randdebielen zijn. Dank u. Heel vriendelijk. – Dat gaan we doen, pa. En vertel eens: ben je nu nog trots op je kinderen?’

 

Rafaels bezwete hemd plakte tegen zijn rug. Achter het drumstel had Chaim zijn t-shirt uitgetrokken en in de coulissen gegooid. De stemmen uit de zaal zongen niet langer, maar schreeuwden. Een van de kaalgeschoren randdebielen had zich op de schouders van zijn maten geklauwd en probeerde zich nu over hun hoofden naar het podium toe te slepen. Een tweede maakte aanstalten hem te volgen, maar werd door twee omstanders tegen de grond gewerkt voor hij iemand op de nek kon springen.

Una was blijven staan en staarde met ontzetting naar wat ze ontketend hadden. Ze duwde de microfoon van zich af en stelde Christian een onhoorbare vraag.
‘We spelen door,’ antwoordde Rafael voor hem.
De achterste rijen begonnen naar voren te dringen. De mannen vooraan leken een kordon te vormen, als politieagenten, hun armen in elkaar gehaakt.
Rafael trapte het volumepedaal in. Sneller en harder.
Zijn linkerhand scheerde langs de snaren: neer-op-neer.